 |
|
Veel dode vogels.
Wat ik schilder? En waarom? Soms is de boodschap alleen maar dit: “veel dode vogels”.
Of mensen met rare gezichten. Vaak begin ik met een figuur. Een oude dame of een zielig meisje.
Ik dacht vroeger dat mensen tragisch en komisch tegelijk zijn. Eigenlijk vind ik dat nog steeds.
Dat heeft niets met mijn Bosnische of ex-Yugoslavische achtergrond te maken. Ik schilder geen nostalgische
herinnering of trauma, wat wel wordt gedacht. Ik laat onvolmaaktheid zien, dat is het uitgangspunt.
Het onvolmaakte kan niet worden bedacht. Aanvankelijk wist ik van tevoren al helemaal wat het beeld zou worden:
een vrouw en een vogel dicht bij de grond, die sfeer. Dat heb ik afgeleerd. Er kwam een ogenblik waarop schilderen
en vooraf weten niet meer samengingen. Werken met voorbedachten rade heb ik laten varen. Nu vertrouw ik meer op wat
mijn hand kan weten. De natuurlijke indeling, het beginpunt, is er. De kleurstelling ook, de kleur moet kloppen,
daar werk je naartoe. De rest wil ik zelf niet ‘weten’. Je kunt proberen om een regenbui te voorspellen, maar hij
valt toch iedere keer weer anders.
|
| |
|
Het niet-voorspelbare: dat pakt nog steeds tragikomisch uit.
En het niet-volmaakte, de imperfectie, dat is belangrijk. Geen doel op zichzelf maar
een voorwaarde voor het slagen van een beeld. Mensen hebben naïeve idealen. Ze streven in
het leven een soort perfectie na, zelfs de perfectie van het kwaad. Maar kijk om je heen.
Vergelijk het schilderij met een boom, met buiten, velden, een regenbui. De werkelijkheid zit vol gaten.
Mijn schilderijen kunnen niet zonder die gaten. Een schilderij mislukt wanneer die gaten bewust tegen
elkaar worden afgewogen. Het slaagt pas wanneer ik associatief werk. De behoefte aan open plekken in een
doek stuurt de gedachte. Soms werken die open plekken als ogen. Zo werken ze ook bij de mens.
Een andere keer ontstaan er ingangen. Een doorkijkje of een sleutelgat gevuld met kleur. Of een wond.
‘De natuur’ heeft openingen, wonden. Dat is er een onderdeel van: zonder tussenruimte gaat het niet.
Misschien klinkt dit abstract maar met abstractie heeft het niks te maken.
Mijn schilderijen zijn even concreet als een boomstronk. Want een boomstronk is volmaakt omdat
hij onvolmaakt is. Een boomstronk is ook onvoorspelbaar. Ik denk dat onze manier van doen uiteindelijk
volkomen onberekenbaar is. Dus moet een doek onberekenbaar zijn. Anders is het niet natuurgetrouw.
Dat heeft weinig met chaos te maken. Meer met groei. Je begint met een figuur en eindigt met een sleutelgat.
Je begint met een kinderverhaal en je eindigt met een rots. Of in ieder geval met iets dat de breuk in een
rots laat zien, de breukvlakken, de scheuren. Of je begint met een vrouw die niet ligt maar ook niet staat.
En je eindigt met een spel van vlekken die om haar heen zijn ontstaan en waarvan de betekenis niemand ontgaat,
zonder dat die betekenis te verwoorden is. Zo gaat dat met schilders. En ook met figuren. Een grap die tragisch
is. Een tragedie die grappig wordt. Een schilderij kan ook uit een ontkenning groeien. De ontkenning is concreet
als een boom: “Ik wil vandaag geen kop schilderen”. De niet-kop heeft een kopachtige vorm maar de inhoud van een
steen. Er ontstaan gaten omheen, iets van ogen. Maar het geheel is incompleet zonder anker. Een anker dringt zich
op, wordt overboord geworpen. Klopt het wel? Wanneer ik de niet-kop-met-anker naar buiten draag en met een boom
vergelijk, weet ik dat de boom wint. Dikwijls lijdt het schilderij een nederlaag. Maar af en toe ook niet.’
|
| |
|
| |
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|